Pension Mariënboom - Nijmegen

Geschreven door Maureen Welscher

Pension Mariënboom

Gelegen in een bocht van de Groesbeekse weg ligt, enigszins verscholen in het groen, de witte villa Oud-Mariënboom. Naast de villa staat het voormalige hotel Mariënboom dat van 1950 tot 1958 diende als contractpension. Kort na 1900 liet de eigenaresse die er toen woonde naast Oud-Mariënburg een hotel pension bouwen dat ook de naam Mariënboom kreeg. 

Van 1950 tot 1958 werd het hotel een contractpension. Het hotel had net roerige tijden achter de rug. Dat Mariënboom gerepatrieerden uit Nederlands-Indië kon huisvesten was een welkome bron van inkomsten voor eigenaar Theo Rubens. Voor elke volwassene ontving hij vier gulden en drie gulden per kind, een riante vergoeding voor die tijd. Bij een bezetting van alle kamers kreeg hij hiermee naar schatting 500 á 600 gulden per week binnen, waarvan hij de meer dan de helft overhield na aftrek van de kosten van huisvesting, voeding en bewassing.

Het verhaal van Gerrie Overweg

De toen achtjarige Gerrie Overweg kwam op 30 november 1955 met zijn moeder en zesjarig zusje in Mariënboom wonen. Gerrie: “Die avond van 30 november 1955 kwamen we ’s avonds laat aan in het donker. Ik herinner me nog dat de hoteleigenaar de sleutel aan mijn moeder gaf en we twee hele steile trappen op moesten. In ons kleine kamertje stond een tweepersoonsbed, een tafeltje en twee stoelen. We waren met z’n drieën. Twee jaar lang hebben we met z’n drieën in dat bed geslapen. Er waren geen vriendjes om mee te spelen. Van de eigenaar mochten de kinderen elke zaterdag een uurtje tv kijken in de huiskamer bij de familie Rubens. Op school vond ik het verschrikkelijk. Ik sprak niet goed Nederlands en ik liep drie jaar achter op de rest.  

Het contractpension stond in een deftige buurt vlak aan een groot bos. Die mensen vonden het maar niets, al die donkere mensen bij hen in de wijk. De school was een heel eind weg. Geld voor de bus was er niet en we beschikten ook niet over fietsen. In de klas was ik het enige donkere kind en ik werd gepest en uitgescholden. Om de een of andere mysterieuze reden was ik op een katholieke school geplaatst terwijl we niet eens een geloof hadden. Ik weet nog dat ik voor een of ander iets, misschien het doopsel of heilige communie, nette kleren nodig had. Mijn moeder had geen geld voor nieuwe kleren en nam me mee naar een kringloopwinkel. Het waren twee hele moeilijke jaren waarin ik veel heimwee had naar mijn geboorteland. In Jakarta had ik mijn vriendjes, de tropische warmte, de gezelligheid van de kampung, het lekkere eten. Dat miste ik allemaal in dit koude kille land. Het werd iets beter toen we naar het dorpje  Ooij verhuisden, naar een klein nieuwbouwhuisje. Heel langzaam begon ik mijn draai te vinden in Nederland.”